langhuis
blog

 

De vroege ontwikkeling van de vedel

 

Trossingen Vorig jaar leidde mijn speurtocht naar de Germaanse lier tot de uitgave van het boek De lier van Trossingen. Daarin heb ik terloops de komst van strijkinstrumenten naar middeleeuws Europa aangestipt. Nu richt ik mijn aandacht op de vroege ontwikkeling van die strijkinstrumenten, verzameld in een vergaarbak met de naam 'de vedel'.
Hoe is de verre voorloper van de viool in onze streken beland en hoe moeten we ons dat instrument voorstellen? Op deze webpagina ga ik op zoek naar antwoorden op die vragen.

 

Bayeux

Musicerende engel op een fresco in de crypte van de kathedraal van Bayeux.

 

Grillet

Musicerende Arabier bespeelt een rabab (uit: Laurent Grillet, Les ancêtres du violon et du violoncelle (1901).
In Noordwest-Europa wordt al sinds mensenheugenis muziek gemaakt op allerlei instrumenten, zoals fluiten, hoorns, slag- en tokkelinstrumenten. Strijkinstrumenten werden echter betrekkelijk laat in onze streken geïntroduceerd. Wat voor instrumenten waren dat? En langs welke wegen kwamen die in Europa terecht?

routes Om met die laatste vraag te beginnen. Er zijn aanwijzingen dat strijkinstrumenten langs twee routes naar Europa kwamen: een westelijke en een oostelijke route.
De Moren introduceerden de Arabische rabab op het Iberische schiereiland, terwijl de Noormannen de Byzantijnse lyra via hun handelsroutes in Oost-Europa vanuit Byzantium naar hun thuislanden in Scandinavië brachten. Uit de Arabische rabab ontstond, kort gezegd, in West-Europa de rebec, terwijl het Byzantijnse instrument zich in Oost-Europa tot de gudok ontwikkelde. Althans, dat is de werkhypothese waarmee ik aan de slag ga.

 

 

 

 

Gudok

Volkse gudokspeler (uit: Privalova, N.I., Gudok, Drevne-russkij muzykal'nyj instrument (Sint-Petersburg 1904), afb. 52).

 

De oostelijke route
In een opsomming van muziekinstrumenten die in Byzantium bespeeld werden, noemde de Perzische geograaf Ibn Chordadbe in de negende eeuw de lyra als strijkinstrument. Deze moet niet verward worden met het tokkelinstrument uit de klassieke oudheid dat eveneens lyra genoemd werd.

De Byzantijnse lyra had stemknoppen die door een vlakke kop naar voren staken. De melodiesnaar werd van opzij met de nagels bespeeld en niet door een vinger tegen een toets te drukken. Het instrument is afgebeeld op een Byzantijns ivoren kistje uit de late tiende of vroege elfde eeuw als een tweesnarig bootvormig instrument, met een lange, smalle hals, dat rechtop bespeeld werd. Florence


Byzantijns ivoren reliëf van een gestreken lyra. (Florence, Museo Nazionale, Coll. Carrand, No.26)


Strijkinstrumenten die van de Byzantijnse lyra zijn afgeleid, worden nog altijd bespeeld in Griekenland en andere landen van de Balkan, in Italië en Turkije, kortom in het gebied van het voormalige Byzantium. Deze instrumenten hebben gemeen dat ze zijn gemaakt uit een enkel stuk hout dat is uitgehold en gevormd tot een boot- of peervormige klankkast die uitloopt in een hals met een verbrede kop met naar voren stekende stemknoppen. In het bovenblad zijn twee D-vormige klankgaten opgenomen.
In Rusland was tot in de negentiende eeuw de gudok in gebruik, een instrument dat nauw verwant is aan de Byzantijnse lyra en er vermoedelijk uit is voortgekomen.

 

 

Gudok

Gudokspeler op een fresco uit de vijftiende eeuw in de Maria-Tenhemelopnemingkerk in Meletovo bij Pskov (Rusland).

 

Gudok

Gudokspeler (uit: Privalova, N.I., Gudok, Drevne-russkij muzykal'nyj instrument (Sint-Petersburg 1904), afb. 51).

 

 

 

 

(*) Kachulev, I., 'Gadulkas in Bulgaria', The Galpin Society Journal 16 (1963), 95-107, speciaal 95.

(**) idem, 96.

 

De gudok
De gudok is een oud Russisch strijkinstrument dat in verticale positie, rustend op het (meestal linker) bovenbeen werd bespeeld, terwijl de muzikant het instrument met de linkerhand bij de hals vasthield. Het werd op volkse dansfeesten gebruikt en voor het eerst in de zestiende eeuw in schriftelijke bronnen genoemd.
Het instrument bleef populair tot in de negentiende eeuw, maar werd uiteindelijk verdrongen door de viool en was sindsdien niet meer in gebruik. Er is van dit typische volksinstrument niet één recent exemplaar bewaard gebleven.
De gudok bestond uit een bootvormige, houten klankkast die uitgehold was, met een vlak bovenblad, waarin klankgaten zaten. Aan de korte, fretloze hals zat een vlakke kop met stemknoppen, waarin geen gat zit, maar een sleuf om de snaren vast te klemmen.
Het instrument was uitgerust met drie snaren die in één vlak lagen, zodat de strijkstok alle drie de snaren tegelijk raakte. Alleen op de eerste snaar werd een melodie gespeeld, de anderen dienden als bourdonsnaren. De melodiesnaar was een kwint hoger gestemd dan de beide bourdonsnaren die unisono of in octaaf gestemd waren.
Kiev


Fresco uit de elfde eeuw in de Sint-Sofiakathedraal in Kiev van een muzikant die een peervormig strijkinstrument bespeelt.


Anders dan sommige latere uitvoeringen die met een toets werden uitgerust, werd de oorspronkelijke gudok bespeeld door de nagels van de vier vingers - hoewel de pink niet veel gebruikt werd - zijdelings tegen de melodiesnaar aan te drukken. Op die manier konden samen met de open snaar vijf tonen ten gehore worden gebracht. Dezelfde manier van spelen werd al toegepast op de Byzantijnse lyra. Volgens de Griekse auteur Theophylactus Simocatta zouden de Byzantijnen in de late zesde eeuw drie Slaven gevangen hebben genomen die een lyra bij zich hadden. In sommige afschriften van zijn verslag wordt dit instrument gusla genoemd. De gusle was een strijkinstrument dat Cosmas de Priester in de tiende eeuw in een donderpreek tegen de Bogumils in samenhang met wijn, dans en duivelse liederen noemde. Dit instrument wordt ook in de Codex Suprasliensis uit de elfde eeuw genoemd. Kreta


Deze lyraris bespeelt een Kretenzische lyra in het bergdorpje Anogeia op Kreta (foto Nelli Sougioultzoglou, 1939).


Mogelijk dat hier de gudok bedoeld werd. Anders dan dit instrument heeft de gusle een lange, smalle hals en een klankkast die met een schapenvel is bespannen (*). Dit instrument is op de Balkan en in andere Zuid-Slavische contreien nog altijd in gebruik.
Op een fresco uit de elfde eeuw in de Sint-Sofiakathedraal in Kiev is een muzikant te zien die een peervormig strijkinstrument tegen zijn schouder houdt die kenmerken van een gusle vertoont (**).
De gudok lijkt erg op de Kretenzische lyra, een instrumenten dat nog altijd op dezelfde manier worden bespeeld als de gudok. Ook de Bulgaarse gadulka vertoont veel overeenkomsten.

 

Novgorod

Verschillende houten artefacten uit Veliky Novgorod (uit: Kolchin B. A. 'Novgorods oudheden. Houten objecten', Archeologie van de USSR Vol. E1-55).

 

(*) Ulrich Morgenstern, 'The Gudok, a Russian Bowed Lute: it's Morphology, Tunings and Playing Techniques', Galpin Society Journal, West Sussex 71, (2018): 109-128, speciaal 155.

 

Novgorod

Plattegrond van een opgravingslocatie in Veliky Novgorod met huizen langs met hout geplaveide wegen.

 

Vondsten uit Veliky Novgorod
Bijzonderheden van de gudok zijn voor ons van belang, omdat ze een opvallende gelijkenis vertonen met de resten van verschillende muziekinstrumenten die in de bodem zijn gevonden in het nederzettingsgebied van Zweedse kolonisten bij het Ilmenmeer, 250 kilometer ten zuiden van Sint-Petersburg in het huidige Rusland. Vooral in de voormalige handelsnederzetting en centrum van de bont- en pelshandel die in Noordse saga's Holmgard genoemd wordt, het huidige Veliky Novgorod, werden meerdere bodemvondsten daterend vanaf de elfde tot de veertiende eeuw, aangetroffen. Novgorod


Opgravingslocatie Troitsky in Veliky Novgorod met de resten van houten huizen.


Ook al zijn de overeenkomsten met de gudok frappant, de etnomusicoloog Ulrich Morgenstern is terughoudend om een verband tussen deze instrumenten aan te nemen. (*)
Tussen de archeologische vondsten en de eerste gudoks die we in schriftelijke bronnen tegenkomen zit inderdaad een gat van enkele eeuwen, maar de opvallende overeenkomsten maken het desondanks aannemelijk dat er een verband is en de gudok is voortgekomen uit de opgegraven instrumenten.

Veliki Novgorod ligt aan de belangrijkste voormalige handelsroute naar Byzantium waar Zweedse kooplieden - zij werden Varjagen genoemd - vanaf de negende of tiende eeuw gebruik van maakten. Deze route liep van de Oostzee via de Neva, het Ladogameer, de Volchov, het Ilmenmeer, de Lovatrivier en de Dnjepr naar de Zwarte Zee en was vrijwel geheel bevaarbaar. De Varjagen stichtten deze stad als handelsnederzetting die na de hoofdstad Kiev zou uitgroeien tot de belangrijkste plaats in het Rijk van Kiev. Dit rijk werd volgens de Nestorkroniek halverwege de negende eeuw gesticht door de Varjagenaanvoerder Rurik. Novgorod


Door een kind in berkenbast gekraste tekst en poppetjes.


De ondergrond van Veliki Novgorod herbergt een ware schat aan archeologische vondsten. Er zijn in de loop van de jaren vele duizenden objecten opgegraven. Dit komt door de zuurstofloze bodem van natte klei die vanwege de bijzondere samenstelling conserverend werkt voor zowel organische als metalen objecten. Van grote historische waarde zijn de meer dan 1000 aangetroffen teksten die gekrast waren in berkenbast die op rolletjes bewaard werden. De daarop aangetroffen zakelijke transacties, juridische kwesties, persoonlijke berichten, 'boodschappenbriefjes' en zelfs liefdesverklaringen geven een inkijk in een samenleving die op Scandinavische leest geschoeid was en gebaseerd was op langeafstandshandel.

 

Novgorod

Verschillende los gevonden stemknoppen.

 

Novgorod
Stemkop (no. 8-12-874).

 

Novgorod
Stemkop uit een latere opgraving.

 

 

Gudoks uit Veliky Novgorod
De meest complete resten van de snaarinstrumenten die door de opgravers als gudok werden aangeduid, werden in de jaren vijftig van de vorige eeuw op de archeologische site van Nerevsky in het centrum van Veliky Novgorod aan de Volchov opgegraven. De vroegste vondst, een fragment van de onderkant van een klankkast, dateert uit het midden van de elfde eeuw. (Moskou, Archeologisch Instituut van de Academie van Wetenschappen van de USSR, Novgorod inventarisnummer 23-29-775).

Een geheel bewaard gebleven corpus met stemkop werd gevonden in lagen van de late twaalfde eeuw. (inventarisnummer 17-19-859) Deze kwam tevoorschijn in een hoek van de resten van een huis, waarschijnlijk van een ambachtsman, gebouwd in de jaren 80 van de twaalfde eeuw, op het terrein van een landgoed op de kruising van de Velikaya Ulitsa en Kholopyya Ulitsa dat in 1211 afbrandde. Novgorod

 

 

 


Compleet corpus
(no. 17-19-859)
en fragment klankkast
(no. 23-29-775).
(uit: Kolchin 'Novgorods oudheden')


Een ander instrument (inventarisnummer 9-9-1876), waarvan het corpus compleet met een groot deel van het bovenblad bewaard is gebleven, werd gevonden in lagen die dateren uit het midden van de veertiende eeuw in de resten van een huis aan de Kozmodemyanska Ulitsa dat gebouwd werd na de brand van 1340/1342 en dat op zijn beurt in 1368 afbrandde.
Het stond op een landgoed dat volgens daar gevonden teksten op berkenbast bezit was van de familie Mishinichy die tot de ridderklasse van de bojaren behoorde. In een laag uit de tweede helft van de veertiende eeuw werd bovendien nog een complete stemkop gevonden. (inventarisnummer 8-12-874) Novgorod

 

 

 

 


Corpus en bovenblad. (no. 9-9-1876)
(uit: Kolchin 'Novgorods oudheden')


 

 

 

(*) Kolchin B. A. 'Novgorods oudheden. Houten objecten', Archeologie van de USSR Vol. E1-55. (Moskou 1968), 119-120, afb. 177, 178, 179.

 

 

 

Een aantal stadia van de bouw.

reconstructie

 

reconstructie

 

reconstructie

 

reconstructie

 

reconstructie

 

 

 

De bouw van een reconstructie
Voor een goed begrip van de gudok kan de bouw en vervolgens het bespelen van een reconstructie verhelderend werken. Daarom ging ik aan de slag met de details die Kolchin in zijn overzicht van opgegraven houten objecten heeft gepubliceerd. (*) Aan de hand daarvan werkte ik een bouwtekening uit die als basis diende voor de bouw van de recontructie.
De gudok die model stond voor deze reconstructie is het exemplaar uit de late twaalfde eeuw van de opgravingssite Nerevsky. (inventarisnummer 17-19-859)

Het bootvormige corpus met een driehoekige kop is uit één stuk sparrenhout gesneden en heeft een kop met eenvoudige ingesneden patronen. Drie gaten waar de stemknoppen hebben gezeten maken duidelijk dat het instrument drie snaren heeft gehad. De uitgeholde klankkast was afgedekt met een dun bovenblad waarvan de dikte kan worden afgeleid uit de diepte van de sponning aan de voet van de kop.
De totale lengte van het instrument is 410 mm, de breedte is 115 mm en de dikte van het corpus (inclusief het bovenblad) is 60 mm. De wanden van de klankkast zijn gemiddeld 5 mm dik. De inhoud van de klankkast is 550 cc.
De kop heeft een lengte van 99 mm en een breedte van 73 mm. De hals heeft bij de insnoering een breedte van 33 mm. De drie gaten waar de stemknoppen in steken hebben een diameter van 7 mm. De hartafstand tussen de snaren is 18 mm.

reconstructie

 


De bouwtekening van de reconstructie.


Omdat het bovenblad niet bewaard is gebleven, is voor de reconstructie gebruik gemaakt van het blad van het instrument uit het midden van de veertiende eeuw, waarvan zowel het corpus als het bovenblad van sparrenhout is gemaakt. Dit instrument heeft een lengte van 300 mm en is dus kleiner. Het bovenblad heeft een dikte van 4 mm. Er zijn twee gaten in de vorm van een cirkelsegment in opgenomen met een lengte van 50 mm en een breedte van 13 mm.
Dichtbij de kop zijn in het bovenblad vier kleine ronde klankgaten opgenomen, gerangschikt in een ruitpatroon. In de onderste punt van het bovenblad en het corpus is een gat opgenomen voor een eindknop om de snaren (of een staartstuk) aan te bevestigen. Een los gevonden bovenblad uit Novgorod had net zo'n bevestigingsgat voor een eindknop.

reconstructie

 


De afgebouwde reconstructie, compleet gemaakt met stemknoppen, kam en eindknop, bespannen met darmsnaren.


Het instrument werd voorzien van drie darmsnaren. Bij een mensuur (de lengte van de vrij trillende snaar tussen de kam en de stemknop) van 265 mm (de middelste snaar) en 250 mm (de buitenste twee snaren), is de hoogst haalbare toon C5 (523,3 Hz) van een snaar van een enkele gedraaide schapendarm. De laagste toon waarbij een dikke snaar van drie in elkaar gedraaide schapendarmen bij deze mensuur nog goed klinkt is C4 (261,6 Hz). Daarmee is het mogelijk het instrument in een kwint en een kwart te stemmen: C4-G4-C5.
Klik hier om een indruk te krijgen hoe de gestreken gudok klinkt. (Dit instrument is C4-C4-F4 gestemd.)

 

 

 

(*) Collectie Museum für Archäologie Schloss Gottorf, inv. nr. HbS.916.001.

(**) Volgens Lawson ('Zwei Saiteninstrumente', 151) uit elzenhout en volgens Westphal (Die Holzfunde von Haithabu, 83-84) uit berkenhout.

(***) Sven Kalmring, mail van 13 augustus 2020.

(****) Lawson, 'Zwei Saiteninstrumente', 151-152; Schietzel, Spurensuche Haithabu, 289.

Literatuur
Lawson G., 'Zwei Saiteninstrumente aus Haithabu', Berichte über die Ausgrabungen in Haithabu 19, Das archäologische Fundmaterial 4 (Neumünster 1984), 151?159.

Schietzel, K., Spurensuche Haithabu, Archäologische Spurensuche in der frühmittelalterlichen Ansiedlung Haithabu, Dokumentation und Chronik 1963-2013 (Neumünster 2014).

Westphal, F., Die Holzfunde von Haithabu. Die Ausgrabungen in Haithabu 11 (Neumünster 2006), 83-84, pl. 61.1.

Haithabu Het corpus van de lyra uit Haithabu. (uit: Lawson, 'Zwei Saiteninstrumente', afb. 1)

 

De lyra uit Haithabu
Bij Schleswig in Noord-Duitsland werd op de plaats waar zich de Deense handelsplaats Haithabu (of Hedeby) bevond, het vrijwel compleet bewaard gebleven corpus van een snaarinstrument opgegraven. (*) Het instrument is gevonden in de oever van een watertje dat dwars door de handelsnederzetting heen liep.

Haithabu

 


De opgravingen van Haithabu in de jaren dertig van de vorige eeuw. (foto Museum für Archäologie Schloss Gottorf, Schleswig)


 

 

Het uit één stuk vervaardigde houten corpus heeft een totale lengte van 43 centimeter. (**) Het heeft een peervormige, uitgeholde klankkast en een vlakke hals en kop. Onderin de klankkast zit een gat voor een eindpen, maar gaten voor stempennen ontbreken. Dat laatste is, samen met het ruwe, onafgewerkte oppervlak, een aanwijzing dat het instrument nooit is afgebouwd. Het bovenblad en andere onderdelen ontbreken.

Haithabu In de catalogus van houtvondsten uit Haithabu wordt het vondstjaar als onbekend opgegeven. Daarom zou het volgens Haithabu-expert Sven Kalmring heel goed een vondst van Herbert Jankuhn kunnen zijn die in de jaren dertig van de vorige eeuw intensieve opgravingen van nederzettingsresten uit de negende en tiende eeuw leidde. (***)

Het viel Graeme Lawson en later ook Kurt Schietzel in zijn standaardwerk over Haithabu al op dat dit instrument een grote gelijkenis vertoont met de als gudok beschreven instrumenten uit Veliky Novgorod, waarvan we hiervoor al zagen dat het oudste teruggevonden fragment uit de elfde eeuw stamt. (****)

Van de West-Europese strijkinstrumenten lijkt het vanwege de bolle achterzijde nog het meeste op de rebec die samen met de strijkstok uit het Arabische gebied naar Europa kwam, waar dit instrument in de elfde eeuw in de iconografie opduikt. In de literatuur wordt de vondst uit Haithabu dan ook vaak een rebec genoemd, maar dit instrument wijkt daarvan af door het ontbreken van een (lange) hals, zoals we ook bij de gudok zien. Daarmee lijkt het eerder in de traditie te staan van de korthalzige lyra, het strijkinstrument dat in Byzantium in zwang was en door handeldrijvende Noormannen via de Russische rivieren het noorden heeft bereikt.

We zouden de vondst ervan eerder in Birka kunnen verwachten, de Zweedse handelsplaats die de meeste handelscontacten met het oosten had. Toch is het niet vreemd dat dit instrument speciaal in Haithabu werd gevonden, omdat de omstandigheden van de drassige en kleiige bodem er optimaal zijn voor de conservering van hout. Er zijn dan ook vele houten objecten in de ondergrond van de nederzetting opgegraven. Verreweg de meeste daarvan stammen volgens Sven Kalmring uit de negende eeuw, omdat hout uit de tiende eeuw hier veel slechter bewaard is gebleven. Daarmee is de lyra uit Haithabu de vroegste vondst van een strijkinstrument in West-Europa.

Mogelijk werd met dit soort instrumenten het gezang begeleid dat een Arabische waarnemer die Haithabu in de tiende eeuw bezocht, weinig complimenteus kwalificeerde als hondengeblaf, 'maar dan veel beestachtiger'.

 

 

 

(*) Collectie Elblaga Muzeum Archeologiczno-Historyczne.

(**) Poplawska, & Czechak, 10.

(***) Poplawska, & Czechak, 30-36.

(****) Poplawska, & Czechak, 30-36.

 

Literatuur
Fonferek, J., Marcinkowski, M. & Sienkowska, U., Elblag- zycie codzienne w porcie hanzeatyckim, Muzeum Archeologiczno- Historyczne w Elblagu (Elblag 2012).

Lyczywek, A., Odkrycia archeomuzykologii na obszarze Starego Miasta w Elblagu (scriptie Universiteit van Gdansk, 2013), 28-36.

Poplawska D., 'Instrumenty muzyczne sredniowiecznego Elblaga', Archaeologia Elbingensis 2 (1997), 145-154.

Poplawska, D. & Czechak, T., 'The Tuning and Playing of a Medieval Gittern and Fiddle from Elblag, Poland', The Consort 58 (2002).

Poplawska, D. & Lachowicz, H., 'Drewniane chordofony w polskich zbiorach archeologicznych', Sylwan 161 - 8 (2017), 693-704.

 

 

 

 

 

Elblag

 

Elblag

 

Elblag

 

 

 

De kleine lyra van Elblag
De Byzantijnse lyra heeft zich al vroeg door Oost-Europa verspreid. Hiervan afgeleide strijkinstrumenten, zoals de Bulgaarse gadulka, worden nog altijd bespeeld, maar archeologische vondsten zijn zeldzaam. Zo'n vondst is bekend uit het Poolse Elblag/Elbing ten zuidoosten van Gdansk, waar in een - niet nader gedateerde - beerput een klein snaarinstrument werd gevonden met een totale lengte van 333 millimeter. (*)
Elblag

 


Het corpus van de lyra uit Elblag (Uit: Fonferek, Marcinkowski & Sienkowska, 2012, 139)


 

Slijtplekken en butsen maken duidelijk dat het instrument langere tijd in gebruik is geweest. Het was in zijn geheel ruw uit een stuk lindehout (aanvankelijk werd elzenhout verondersteld) gesneden en had een elzen of populier bovenblad met een lengte van 175 millimeter en een dikte van 2 tot 3 millimeter, waarvan een afgebroken stuk van het linker deel ontbreekt. Centraal is een rond klankgat met een diameter van 13 tot 14 millimeter opgenomen. Het bootvormige corpus heeft een lengte van 182 millimeter en een vlakke bodem, de breedte is 100 millimeter en de hoogte maximaal 34 millimeter. Het corpus is uitgehold tot een diepte van 22 millimeter in het midden en 16 tot 18 millimeter bij de randen.

In de ovale kop zitten vier afgebroken stempennen (vermoedelijk van esdoorn of berkenhout) met een diameter van 6 tot 7 millimeter. De kop is 18 tot 20 millimeter dik en helt naar achteren. De hals is 56 millimeter lang en 37 tot 41 millimeter breed. Bij wijze van topkam is een 6 millimeter brede en 2 millimeter hoge verdikking tussen stemkop en hals opgenomen. De afstand tussen de toets en de snaren doet vermoeden dat de snaren niet op de toets gedrukt werden, maar met de vingertoppen of nagels bespeeld werden. (**)
Elblag Op het bovenblad zitten twee schuin geplaatste rechthoekige afdrukken van 10 bij 6 millimeter met een onderlinge afstand van 20 millimeter die vermoedelijk sporen van de voeten van de kam weergeven. De mensuur is 170 millimeter. Van de 10 millimeter lange eindpennen zijn drie stukken bewaard gebleven. In de topkam zitten geen groeven, maar de Poolse onderzoekers meenden aan de hand van de positie van de stemknoppen te kunnen afleiden dat de middelste twee snaren een koor vormden, omdat die een onderlinge afstand hebben van maar 4 millimeter. (***)
Door de snaren anders om de stemknoppen te winden, kunnen de snaren echter wel op gelijke afstand van elkaar worden gespannen, zoals op de tekening hierboven en op het nagebouwde instrument te zien is. Er ontstaat dan een configuratie waarbij het instrument veel beter bespeelbaar is dan met het veronderstelde koor.
Met een geleidelijke overgang van de klankkast naar de hals is wel verondersteld dat het Poolse exemplaar een rebec is. (****) Deze strijkinstrumenten zijn echter zelden viersnarig, terwijl ze nooit een centraal klankgat hebben. Het bootvormige corpus en de korte hals maken dit instrument, net als de Russische gudok, eerder verwant aan de Byzantijnse lyra. Door zijn geringe afmetingen doet het nog het meeste denken aan de Kretenzische lyraki, een klein model lyra. Elblag

 

 


De nagebouwde lyra uit Elblag.

Links drie stadia van de vorming van het corpus.


Wanneer we dit strijkinstrument als een lyra beschouwen en niet als een rebec, dan komt de datering die op grond van zijn vorm in de veertiende eeuw is vastgesteld op losse schroeven te staan. Een vroegere datering is dan ook heel goed mogelijk.
Aan de hand van deze gegevens heb ik de hierboven afgebeelde reconstructie van deze lyra getekend en aan de hand daarvan het exemplaar gebouwd dat op de foto te zien is. Het resulteerde in een lastig te bespelen instrument met een gering geluidsvolume, hetgeen, gezien de grootte van het instrument, niet verwonderlijk is. De conclusie is dat deze Poolse lyra alleen maar in de besloten huiselijke kring kon worden gebruikt.

vedel

 

 

Wordt vervolgd ...